Vooraf

Vooraf

Dit deel van de website handelt over de opzet en organisatie van een kinderkoor. Het behandelt alle zaken, die van belang kunnen zijn bij de oprichting van een kinderkoor. Er is bewust gekozen voor de term ‘opzet’, omdat dit verder reikt dan de handeling van het oprichten van een kinderkoor. Ook kan deze informatie helpen bij het aanpassen van een bestaand kinderkoor aan een ander model. Onder een kinderkoor wordt hier bedoeld: elk koor waarvan de leden niet ouder zijn dan 15 jaar. Bij de samenstelling van dit deeltje is uitgegaan van een ‘gewoon’ kinderkoor.

Gemakshalve wordt in dit werkje de dirigent volgens het woordgeslacht behandeld, om het vermoeiende ‘dirigent(e)’ en hij/zij te vermijden. Hetzelfde geldt voor ‘initiatiefnemer’ en dergelijke.

Historie

Te midden van de vele koren die Nederland rijk is, nemen de kinderkoren een wel heel bijzondere plaats in. Het zijn de koren waarin de generatie van morgen kennis kan maken met de eigen cultuur van het heden, verleden en diverse andere culturen. De waarde die deze vorm van musische opvoeding kan hebben voor kleine kinderen, wordt nog steeds onderschat. Juist in een wereld, waarin de zakelijkheid alom de overhand heeft gekregen, levert elke gelegenheid voor het kind zijn gevoelens te uiten in spraak en zang een bijdrage aan een evenwichtige persoonlijkheidsontwikkeling. De geschiedenis heeft uitgewezen dat vele musici eens hun loopbaan begonnen in een kinderkoor. Componisten als Josquin des Prez, Leonhard Lechner, Henry Purcell en Franz Schubert deden hun eerste muzikale ervaringen op in een kinderkoor.

De geschiedenis van de kinderkoorzang in Nederland laat een merkwaardig verloop zien. Na de aanvankelijke opbloei van de kinderzang in de eerste helft van de 20ste eeuw, volgt een totale ineenstorting vanaf de jaren na 1964. Veranderingen in het lager onderwijs waren daar debet aan. Het ‘zingen’, jarenlang een verplicht vak op alle lagere scholen, werd vervangen door het meer algemene ‘muzikale vorming’. De bestaande kinderkoren, die veelal gekoppeld waren aan een school of kerk, kregen behalve de veranderingen in het onderwijs ook de maatschappelijke en kerkelijke ontwikkelingen tegen zich. Soms hielden kinderkoren stand tegen beter weten in. Vaak echter gingen kinderkoren geruisloos ten onder in de algemene onrust van het tijdsgewricht.

Als de commercie vervolgens het kind ontdekt als nieuwe markt, gaan andere criteria gelden dan die welke door de pedagogen en musici tot dan toe werden gehanteerd als uitgangspunt. Er treedt een vernauwing van de kinderkoorzang op. De kunstmuziek verdwijnt met rasse schreden van het toneel om plaats te maken voor kinderkoorzang als entertainment. Parallel aan deze ontwikkeling doet zich een andere voor: kinderkoorzang als breekijzer om maatschappelijke thema’s vanuit marketingoogpunt voor het voetlicht te brengen. Deze vernauwing tot wat soms ook wel het “Kinderen voor Kinderen” model wordt genoemd, leidt in combinatie met het afnemen van een gedegen training van de nodige muzikale vaardigheden in de onderwijsopleidingen tot het nagenoeg verdwijnen van de kinderkoorzang uit het maatschappijbeeld.

Na 1990 valt er een nieuwe beweging te herkennen die zich schaart rondom en achter het model van het Nationaal Kinderkoor. Dit koor verschaft voor een kleine groep belangstellenden een nieuw model. De kinderkoorzang wint iets van het verloren terrein terug en telt zelfs internationaal midden jaren negentig weer mee. In de media is deze tendens nauwelijks terug te zien en te horen. Waar door instellingen als de Nederlandse Mededingingsautoriteit, de NMA, en Europa in het bedrijfsleven toezien op ongewenste fusies, omdat deze nadelig kunnen zijn voor de consument, die immers een beperkter keuzevrijheid krijgt door het verschralen van de concurrentie, wordt de keuzevrijheid van kinderen steeds verder ingeperkt. Door de vernauwing van de kinderkoorzang, kent Nederland geen of slechts uiterst weinig keuzevrijheid kent op dit terrein voor kinderen en ouders. Een gevolg van een gebrek aan exposure van de kwalitatief goede kinderkoren is, dat deze nieuwe groep verder en verder dreigt te verdwijnen naar de periferie van het culturele landschap in een steeds meer mediageniek ingestelde maatschappij.

Toch worden er in die periode nieuwe koortjes opgericht, terwijl ook bestaande kinderkoren zoeken naar een aanpassing aan de behoeften van de tijd. Altijd gaat daarbij het initiatief uit van de volwassene. Die bepaalt of hij het belangrijk vindt of niet. Die schept de voorwaarden voor de kinderen om te zingen. In enkele gevallen is dat de dirigent. Die heeft er dan ook zelf onmiddellijk profijt van. Die heeft, als hij een goede uitgangssituatie kan verwezenlijken binnen vijf jaar een kwalitatief goed koor als instrument. Meestal echter staat de oprichter van een kinderkoor ‘aan de zijlijn’. Hij zingt niet mee, zijn tijd is voorbij. Om een kinderkoor op te richten is idealisme nodig. Dat is dan meteen misschien wel een van de redenen waarom kinderkoren vaak zo weinig zakelijk opereren en dus kwetsbaar zijn in hun voortbestaan. Het kinderkoor als ‘liefdewerk oud papier…’

Het idee

Iemand die een kinderkoor opricht doet dat niet zomaar. Er is sprake van een zekere betrokkenheid. Dat kan een muzikale betrokkenheid zijn; de oprichter wordt door de klank van een kinderkoor gegrepen en realiseert zich wat de mogelijkheden zijn. Het kan ook een kerkelijke betrokkenheid zijn; het zingende kind voelt zich misschien eerder thuis in de kerk dan het niet-zingende kind. Soms gaat het om een pedagogische betrokkenheid; kinderen zijn jonge mensen op weg naar de volwassenheid. Bij die ontwikkeling hoort ook een muzikale groei. Vaak zijn het musici die voor hun eigen kind als ouder willen dat dit aspect van de persoonlijkheidsontwikkeling niet wordt verwaarloosd. Deze betrokkenheid ontstaat soms heel geleidelijk. Altijd echter ligt er een ervaring aan ten grondslag. Het komt vaak voor dat iemand een goed kinderkoor hoort zingen en zich realiseert, dat er in zijn buurt niets goeds te vinden is. Dit is een veel voorkomende aanleiding om tot de oprichting van een kinderkoor over te gaan.

 

De aanleiding tot de oprichting en het soort betrokkenheid van de initiatiefnemer bepalen in de meeste gevallen ook voor welke doelgroep het koor wordt opgericht. Wanneer de betrokkenheid van kerkelijke aard is, ligt het voor de hand dat de initiatiefnemer een kerkelijk kinderkoor voor ogen heeft. Dit is logisch, want de aanleiding bepaalt de voorstelling die iemand heeft van een kinderkoor. Het is onontkoombaar, dat deze voorstelling te allen tijde een accent krijgt naar een van de eerder genoemde richtingen: muzikaal, religieus of sociaal-pedagogisch.

 

Het idee is geboren en leeft in de gedachte van één persoon. Dit ontstaan van een idee en de uitwerking ervan, heeft veel weg van een voortplantingsproces. Het is niet voldoende dat het bij één mens leeft. Bij lang niet iedereen die een dergelijk idee heeft, wordt het ook gerealiseerd. Het blijft in veel gevallen steken in het: ‘we moesten eigenlijk eens een kinderkoor oprichten…’ Nadat het eigenlijke idee is ontstaan volgt een belangrijke nieuwe fase. De fase van het uitdragen van dit idee. In de naaste omgeving zoekt de initiatiefnemer naar andere mensen om zijn idee te toetsen aan hun meningen en… om mensen te winnen voor het idee! Het proces van zoeken naar meedenkers en -helpers is dan definitief begonnen.

De haalbaarheid

Alvorens definitieve stappen te zetten, is het belangrijk tijd in te ruimen voor een ‘haalbaarheidsonderzoek’. Hoe groot is de kans dat het initiatief levensvatbaar is? Zo’n haalbaarheidsonderzoek kan bestaan uit:

  • gespreksronden met zijdelings betrokken instituten zoals basisscholen, kerken, muziekscholen, gemeentelijke overheden, plaatselijke koren, etc.;
  • steekproefsgewijze gesprekken met leden van de doelgroep, bijvoorbeeld ouders van kinderen in een bepaalde wijk of van een bepaalde kerk;
  • publicaties betreffende de plannen met de mogelijkheid tot voorintekening.

De haalbaarheid van een initiatief kan voorafgaand aan een dergelijk onderzoek, door het voorbereidend comité al enigszins worden ingeschat. Er zijn namelijk enkele factoren aan te wijzen, die van invloed kunnen zijn op de haalbaarheid. Tevens geeft het overdenken van deze beïnvloedende factoren de initiatiefnemers al in een vroeg stadium de gelegenheid zich een duidelijk beeld te vormen van de concrete uitwerking van het idee aan de hand van de beschikbare mogelijkheden. Een en ander kan enorm helpen de te voeren gesprekken met derden zo concreet mogelijk te houden.

Deze beïnvloedende factoren zijn de volgende.

  • de vestigingsplaats;
  • het potentieel aan kinderen in de juiste leeftijd;
  • het beschikbare bestuurskader;
  • de beschikbaarheid van een goede dirigent;
  • de financiën;
  • het maatschappelijk draagvlak;
  • de functionaliteit;
  • de relatie met bestaande instituten.

De vestigingsplaats is een belangrijk gegeven. Er zijn veel gemeenten in ons land die een kinderkoor niet als volwaardig koor beschouwen en dus bijvoorbeeld op geen enkele wijze een dergelijk initiatief financieel willen ondersteunen. Het nagaan van ”subsidiemogelijkheden” in gemeente en provincie is eenvoudig een kwestie van het opvragen van de bestaande subsidieregelingen voor de amateurkunst. In een aantal gevallen kan de uitwijk naar een naburige gemeente gunstiger zijn. Op de achtergrond speelt ook de huisvestingsmogelijkheid binnen een vestigingsplaats een rol. Een goede ”huisvesting” is medebepalend voor succes. Uit onderzoek naar de criteria die ouders hanteren bij de schoolkeuze voor kleine kinderen is bijvoorbeeld gebleken, dat het uiterlijk van het schoolgebouw op de tweede plaats kwam, na de afstand van de woning tot het schoolgebouw. Dit geldt natuurlijk ook, zij het in mindere mate, voor de huisvesting van een kinderkoor. Daar komt nog bij, dat een kinderkoor zelden de enige gebruiker van een gebouw is, en de overige gebruikers van zo’n accommodatie dus ongewild mede het ‘imago’ van het koor bepalen. Dit ‘imago’ kan bepalend zijn bij de werving van nieuwe kinderen. Wil men een specifiek kerkelijk kinderkoor oprichten, dan is het van belang te kijken naar de ”kerkelijke mogelijkheden”. Bijvoorbeeld of er een geschikt kerkgebouw is, waar het type kinderkoor dat men op het oog heeft ook past. Een kathedraal vraagt om een ander kinderkoor dan een kleine dorpskerk. Ook dient te worden nagegaan of er een liturgische behoefte bestaat aan een kinderkoor.